De bijbelstudie is D.V. op de volgende data:

4 en 18 jan. 2012 etc.

Aanvang: 19:45uur - Koffie

* * *


Waarom bestaat het kwaad?

Zoals een bloedbad op een school brengen opnieuw de kwestie van het kwaad op een levendige manier onder onze aandacht. Als er een liefhebbende God is, waarom laat Hij dan zulke gruwelijke misdaden gebeuren? Waarom komt Hij niet tussenbeide? Een christen kan de beweringen van sommigen, dat God “niet volmaakt is en dat er soms dingen gebeuren, die God niet in de hand heeft”, niet aanvaarden.

Mijn vrouw Barb en ik (Norman Geisler) werden geconfronteerd met het tragische verlies van onze dochter Rhoda, een paar jaar geleden. We weten, dat deze pijn nooit echt weggaat. Maar toch is één ding zeker: Het bestaan van het kwaad betekent niet dat God er niet is. Het doet ons zelfs veel meer tot Hem roepen. In zijn boek “Onversneden christendom” zegt de voormalige atheïst C.S. Lewis: “Mijn argument tegen het bestaan van God was dat het universum zo wreed en onrechtvaardig leek. Maar hoe had ik dit idee van recht en onrecht gekregen? Iemand noemt een lijn niet krom als hij er geen idee van heeft hoe een rechte lijn eruit ziet.”

En hier keert het argument van het kwaad, als bewijs tegen het bestaan van God, zich als een boemerang tegen het argument vóór Zijn bestaan. Als er een hoogste morele standaard of wet van rechtvaardigheid bestaat, dan moet er een hoogste morele Wetgever zijn. Zonder Zijn morele wet zouden we zelfs niet weten wat kwaad in werkelijkheid is. En zonder Zijn geestelijke troost zouden we het kwaad niet kunnen verdragen – tenminste niet met enige realistische hoop en troost. Zoals de apostel Paulus zei, wij treuren, maar niet als degenen, die geen hoop hebben (1 Thessalonicenzen 4: 13). En zonder Zijn grote macht en liefde zouden we geen hoop op een betere wereld hebben. Alleen een God die goed uit kwaad kan voortbrengen kan de problemen van deze wereld oplossen.

Te midden van het kwaad, zoals de moorden op Virginia Tech, kunnen we tot God roepen om troost. Als ik niet de Schriftplaatsen uit mijn hoofd gekend had, zoals Psalm 23, Jesaja 26:3, 40: 31, Johannes 14:1-6, Filippenzen 4:4-6, 2 Corinthiërs 4:17 en andere, dan weet ik niet wat ik gedaan zou hebben toen onze dochter stierf. Ik zal nooit de reis van Asheville naar Charlotte vergeten, nadat we het bericht van haar voortijdige dood gekregen hadden. Het was de langste reis van twee uur die ik ooit gemaakt heb. Het voelde alsof ik in een onderzeeër was, naar buiten starend door een oceaan van tranen. Toch was ik in staat om tot God te roepen, zoals Job: “De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, de naam van de Here zij geloofd” (Job 1:21).